Inloggen

Energiebehoefte en gewichtscontrole PDF Afdrukken E-mailadres
De dagelijkse voeding levert energie voor lichaamsfuncties, activiteit en groei en heeft tevens een invloed op de energievoorraden in het lichaam. Deze energievoorraden hebben hun invloed op het prestatievermogen omdat ze bijdragen tot:
- de lichaamsbouw (vetmassa, spiermassa)
- het functioneren (spiermassa)
- de energievoorraad (spier en lever koolhydraatvoorraad)
 
Heel wat atleten trachten deze factoren naar hun hand te zetten om beter te presteren in hun sporttak. Meestal vertaalt dit zich in het streven naar een lager lichaamsgewicht, een lager lichaamsvetgehalte, meer spiermassa of betere energievoorraden. Problemen ontstaan echter:
- wanneer de eisen van de sport niet samengaan met de natuurlijke lichaamsbouw van de atleet.
- wanneer onrealistische verwachtingen worden nagestreefd: bijvoorbeeld een onrealistisch laag lichaamsgewicht nastreven of willen sporten met volle glycogeenreserves en tegelijkertijd streven naar erg laag vetpercentage.
- Wanneer de atleet zijn energie-inname beperkt tot op het punt dat deze interfereert met het normale metabole- en hormonale functioneren.
 
Strategieën voor een evenwicht tussen energie-inname en energiebalans
- De atleet moet de energievoorraden aan lichaamsvet, koolhydraten (brandstof) en eiwitten (spiermassa) beheersen door de inname van respectievelijk vetten, koolhydraten en eiwitten te regelen.
- Eten moet doordacht gebeuren, volgens planning en volgens bepaalde doelstellingen. De voedingsinname afstemmen op de eetlust is geen goed idee, omdat de appetijt vaak onderdrukt is bij intensieve sportbeoefening.
 
- De atleet heeft nood aan een aantal bio-markers om de vooruitgang te volgen wanneer bepaalde voedingsaanpassingen werden doorgevoerd.
o Lichaamsgewicht is geen betrouwbare indicator voor de energiebalans. Schommelingen in spiermassa of koolhydraatvoorraad gaan immers samen met schommelingen van het lichaamswater en veroorzaken grotere gewichtsfluctuaties dan veranderingen van de voorraden aan lichaamsvet. De beoordeling van het lichaamsgewicht moet bijgevolg doordacht gebeuren. Een regelmatige registratie van het gewicht kan enkel indien de atleet weet dat niet elke verhoging van het lichaamsgewicht noodzakelijk te wijten is aan een toename van de vetmassa.
o Een regelmatige meting van de huidplooidiktes, uitgevoerd door een ervaren persoon, kan nuttige informatie leveren over de veranderingen van het lichaamsvet.
o Ketonen in de urine leveren informatie over onvoldoende koolhydraatinname.
o Veranderingen in spierkracht kunnen informatie leveren over de spiermassa.

Aandachtspunten

Hoewel het verminderen van de energie-inname een beproefde methode is voor veel atleten om hun lichaamsgewicht en vetpercentage te verlagen; moet een te lage energie-inname vermeden worden.
 
Beschikbare energie = energie uit voeding – energie verbruikt door dagelijkse activiteiten/inspanning
 
Uit onderzoek weet men dat wanneer beschikbare energie lager is dan 30 kcal (135 kJ) per kg vetvrije massa (VVM), het hormonale en metabole evenwicht wordt verstoord. Dit heeft een invloed op de prestatie, de groei en de gezondheid. Bij vrouwen leidt dit bovendien tot menstruatiestoornissen en mogelijke fertiliteitsproblemen.

Voorbeeld van een te lage energie-inname

 
Een vrouw van 60 kg met 20 % lichaamsvet = 48 kg VVM (vetvrije massa)
Energie-inname 1800 kcal (7560 kJ) per dag
Energiekost van de dagelijkse inspanningen (1 uur/d) = 500 kcal (2100 kJ)
Beschikbare energie = 1800-500 = 1300 kcal (5460 kJ)
Beschikbare energie/kg vetvrije massa = 1300/48 of 27 kcal/kg VVM (113 kJ per kg VVM)
 
Atleten die gewicht of vet willen verliezen, moeten hierbij geholpen worden door een sportvoedingsdeskundige. Om onherstelbare schade te vermijden is het nodig dat atletes met menstruele problemen onmiddellijk medische hulp zoeken (zie sportarts).
 
Dit artikel is afkomstig van www.cjsm.vlaanderen.be/gezondsporten
 



BrowseSafe

BrowseSafe Level groen logo


CustomWebsite.nl